NAMEN-NAMES-NOMS  | HOME  | EMAIL  naar  ( to / à )  |
Paul Lanssens

LANSSENS - DENOO - MEIRE  STAMBOOM
genealogie - genealogy - généalogie
Lanssens - Lansens - Lanssen - Lansen - Lamsens         Denoo - Deno - Denaux         Meire

»»» voor elke aanvulling of probleem: mail naar Paul Lanssens    -    Pour tout complément ou problème: mail à Paul Lanssens «««


Notities bij: Franciscus MAES


Godeliva is geboren als 'Lansens', maar is in Zwevezele door het leven gegaan als 'Lamsens'. Zij kwam 9 maanden tekort om 100 jaar te worden. Haar huwelijk met Franciscus was in Brugge, maar zij woonden op de Hille in Zwevezele.

Franciscus was eigenaar van de oliewindmolen op de 'Hille' in Zwevezele en hij was bouwheer van de oliewatermolen te Ruddervoorde. Na een periode van verval werden de restanten van de molen te Ruddervoorde geconserveerd, en voor een deel prachtig gerestaureerd. Het gebouw zelf is nu een horecazaak, gastenverblijf en 'crea-ruimte' in de Watermolenstraat te Ruddervoorde.
In het molentijdschrift 'Molenecho's' van einde 2005 verscheen hierover volgend artikel van Lieven Denewet.

OPRICHTING VAN DE WATERMOLEN IN 1821.
In augustus 1820 vroeg Francis Maes, die toen al een houten oliewindmolen bezat te Zwevezele-Hille een wateroliemolen op te richten op de Ringbeek te Ruddervoorde. De vraag werd gericht tot het gemeentebestuur van Zwevezele, want de molen zou draaien met water afkomstig van de Rick in Zwevezele, waar het zou opgehouden worden. De molen zelf kwam echter een 350 meter over de grens met Ruddervoorde (kadasterperceel sectie F nr. 690, thans Water-molenstraat nr. 2).
Op 12 augustus 1820 werd het voornemen uitgeplakt, in het kader van het onderzoek de commodo et incommodo. Op 28 september 1820 gaf de Zwevezeelse gemeenteraad een gunstig advies, omdat alle formaliteiten voldaan waren en er geen enkel bezwaar was binnengekomen.
De gouverneur van West-Vlaanderen verleende pas op 24 juli 1821 zijn toestemming. Als voorwaarde werd gesteld dat de eigenaar/molenaar het water niet hoger dan 3 ellen mocht ophouden (en gezien de breedte van de openingen: 2 ellen en 25 palmen). Bij noodweer kon het water dan met de nodige snelheid afvloeien. Zo het water hoger kwam dan die 3 ellen, moest de eigenaar zijn sluizen openzetten. Hij werd verantwoordelijk gesteld voor alle schade veroorzaakt door overstromingen en afdrijvingen, indien hij niet op gestelde tijden het water de nodige afloop gaf.
De molen werd uitgerust met een houten onderslagrad. Aangezien het gebouw enkele meter van de beek verwijderd was, was er een houten aanbouw met zadeldak, met het rad aan het uiteinde. Deze toestand is te zien op een schilderij van Leo Vandekerckhove (Zwevezele 1894 - Brugge 1986) uit 19206, alsook op een plan uit 1909 bij de latere aanvraag voor de plaatsing van een stoommachine.
Bouwheer Francis (Frans) Maes was geboren te Koolskamp op 4 november 1762 als zoon van landbouwer Michael Maes (Zwevezele 1735 - Koolskamp na 1792) en Anna-Justina Van Tornout (Koolskamp, 1729 - 1784). Hij was gehuwd met Godelieve Lansens (Lamsens), geboren te Koolskamp op 14.01.1762 als dochter van Joannes Baptiste Lansens (Lamsens) en Maria-Joanna Logghe.
Francis Maes overleed op 21.08.1840 te Zwevezele. Zijn vrouw Godelieve Lansens werd 99 jaar 3 maanden en 12 dagen oud en overleed te Zwevezele op 26 april 1861. In haar overlijdensakte stond aangegeven: landbouwster en olieslaegster.

TOEVOEGING VAN EEN GRAANMOLEN IN 1826.
In november 1825 richtte Francis Maes zich rechtstreeks tot koning Willem I, met de vraag om in zijn oliewatermolen de noodige werktuijgen te mogen stellen tot het malen van graenen. Hierop werden adviezen gegeven door de administraties van de directe belastingen en van de in- en uitgaande rechten, door de hoofdingenieur en de staatsraad - gouverneur van West-Vlaanderen. Alle adviezen waren gunstig, maar toch verwees de koninklijke kabinets-secretaris de verzoeker op 29 mei 1826 door naar het College van Gedeputeerde Staten van West-Vlaanderen. Aldus richtte Francis Maes op 17 juni 1826 een verzoekschrift naar dat college met dezelfde vraag. Administratieve rompslomp is blijkbaar van alle tijden!
In dat tweede verzoekschrift haalde Francis Maes aan dat het graan malen met het water zeer nuttig zou zijn, aangezien watermolens in deze streek ontbraken. Doorgaans gebruikte men er windmolens, maar die konden vaak een groot deel van de zomer niet werken en vormden dus geen gestadig nut als de watermolens. Toen ging het snel: op 8 juli 1826, amper een ruime maand later, kreeg Maes de toestemming van de Gedeputeerde Staten van West-Vlaanderen.
Als voorwaarde werd gesteld dat Maes het opperwater van de beek niet hoger mocht laten komen dan 2 ellen 70 duimen boven de schofdorpel en dat hij moest zorgen dat het overtollige water bijtijds, naargelang de toevloed, afgelaten werd. We vonden deze bepaling trouwens ook al terug bij zijn vergunning voor de wateroliemolen in 1821. Verder wordt er geen verandering aangebracht aan de dam of waterkeering en aan het waterrad, als zijnde de thans op het waterrad werkende kracht genoegzaam voldoende tot de beweging van het bestaande en nog aan te brengen mecanisme. Zo schreef de hoofdingenieur van Waterstaat dat in zijn verslag van 11 maart 1826 aan de gouverneur van West-Vlaanderen.

TOEVOEGING VAN EEN WINDMOLEN IN 1830.
Op 17 december 1829 richtte Francis Maes een verzoekschrift aan de West-Vlaamse gouverneur, met de vraag om zijn watergraan- en oliemolen ook te doen bewegen 'door den wind'. Dit zou gebeuren 'gelijk andere windmolens met vier ekkens' [hekkens, wieken]. Hij motiveerde: 'Doordien hij telkens schaersheijd heeft van water om van gestadiger nut aen het publik te konnen zyn'.
Hierbij kunnen we een glimlach niet onderdrukken: terwijl Maes in 1826 nog beweerde dat een watermolen veel nuttiger was dan een windmolen (die 's zomers vaak noodgedwongen stil moest staan), voerde hij drie jaar later aan dat hij een windmolen wilde, wegens watergebrek voor zijn watermolen! Hoe dan ook, alle instanties gaven een gunstig advies en tijdens het onderzoek de commodo et incommodo kwam geen enkel bezwaarschrift binnen. Op 27 februari 1830, tijdens de laatste maanden van het Hollands Bewind, kreeg Francis Maes de autorisatie van de Gedeputeerde Staten van West-Vlanderen om zijn watermolen tevens tot windmolen in te richten.
Deze houten windmolen, een staakmolen, kwam boven op het dak van de watermolen. Aldus werd een zogenaamde watervluchtmolen bekomen, waarbij een steenkoppel zowel door de wind als door het water kon aangedreven worden. Toch was de windmolen geen lang leven beschoren. Hij werd nog aangehaald in 1848 (zie hierna), maar in 1876 was enkel nog sprake van een watermolen. De moleneinden van het gevlucht werden herbruikt als zolderbalken: ze zijn nu nog herkenbar aan de vierkante schedengaten.
De watermolen deed haar bijdrage in de ontginning (de vrugtbaermaking) van het Vrijgeweid10 in 1848. Van nabij de water- en windmolen 'van den heer Maes werd een waterafleydings beyk gegraven naar een kom van 18 hectaren, ten eynde dien te bewateren'. Deze kom was gelegen naast een meersch van 114 hectaren. Zowel de kom als de meers werden gecreëerd uit ongeveer 132 hectaren 'heygrond', deel van het Vrijgeweid. De trekgracht met schuif aan de Ringbeek kon echter ook het overtollige water van de sompige grond lozen in de Ringbeek. Nog tot rond 1950 moest Maurice Van Wanzeele op regelmatige tijdstippen deze schuif openen om de ontwatering van het geweed in de hand te werken. Na de doorgevoerde ruilverkaveling (kort na de tweede wereldoorlog) is deze trekgracht echter verdwenen.

DE PERIODE NA FRANCIS MAES EN GODELIVE LANSENS/LAMSENS, TOT HEDEN
Bouwheer Franciscus Maes werd opgevolgd door zijn zoons, brouwer Felix Maes (Zwevezele, 1802-1868), gehuwd met Francisca Welvaert (Baarle 1807- Zwevezele 1836) en Joannes Maes (Zwevezele 1794 - Ruddervoorde 1878), ongehuwd en tevens burgemeester van Ruddervoorde. Zij werden geholpen door twee ongehuwd gebleven zusters: Regina (Zwevezele 1797 - Ruddervoorde 1878) en Amelia Maes (Zwevezele 1800 - Ruddervoorde 1873).
Een andere broer, Dominicus Maes (Zwevezele 1795-1855) werd olieslager op de originele oliewindmolen op de Hille, en was ook gemeenteraadslid van Zwevezele.
Vanaf 1876 stond de Watermolen op naam van Polydoor Minne, gehuwd met een dochter van Felix Maes. Ze hadden twee zonen die de molen vanuit Brugge beheerden en bankroet geraakten. Hierop kon de Torhoutse brouwer Ferdinand Fraeys, later gehuwd met Van Sieleghem, de molen op 9 mei 1896 aankopen en amper een jaar later doorverkopen aan molenaar Jules Coucke.
Een volgende eigenaar was Aimé Van Wanzeele die rond de eeuwwisseling een stoommachine installeerde.
Diens zoon Maurice Van Wanzeele bouwde in de jaren '20 een vlasroterij en een vlaszwingelarij erbij. In 1948 werd een dieselaandrijving geplaatst met een vermogen van 27 pk en een elektromotor van 15 pk.
De volgende generatie, Daniël Van Wanzeele, legde in 1987 de zaak stil. De verkrotting die toen begon, zou normaal het einde van de site betekend hebben . Vanaf 2003 trad echter een gelukkige kentering op. De Parijse kunstenares Lilly Aliette Lindor en Guy Van Wassenhove namen de molensite in huur en renoveerden hem samen met de eigenaar tot een horecazaak, een gastenverblijf en een crea-atelier op de zolderverdieping. In 2004 werd een dossier opgestart om de site te beschermen als monument.


Stamboom (genealogie/genealogy/généalogie) Lanssens-Denoo: 23.291 personen (individuals, personnes) dd. 8 december 2018 - site: http://lanssens.be